Geschreven op 30 juni 2010, te Rotterdam.
Eens in de zoveel tijd komt er op de afdeling waar ik werk (verkeer en vervoer van de dS+V, gemeente Rotterdam) een blaadje uit voor en door de collega’s: de ontknoping. Voor de 52e editie die deze week uit kwam schreef ik dit stukje. Deel 2 van een serie.
Zo maar een maandag. Een soort droom.
Ik word wakker op Rotterdam Centraal omdat er iemand aan mijn schouder loopt te schudden. ‘Dit is Rotterdam’, zegt ie. Ik open mijn ogen, wil iets zeggen, maar weet niet wat. Dan pak ik mijn tas en strompel de trein uit. Het blijkt waar te zijn. Ik ben in Rotterdam, stad van mijn dromen!
Achter het centraal loop ik langs de fietsenrekken. Iemand heeft er een dikke witte streep omheen getrokken, die fel oplicht in de morgenzon. Het doet pijn aan mijn ogen. Ik denk aan helderwitte melk. Dan droom ik van een cappuccino met een witte schuimkraag. Na 5 minuten kom ik tot de conclusie dat mijn fiets toch aan de voorkant staat.
De mevrouw bij de koffiewinkel in Europoint weet gelukkig wat ik wil. ‘Cappuccino?’, vraagt ze. Ik knik. Gevoel van begrip. Op naar de 1e. Ik zoek een plek bij een plant. Koptelefoon met herrie af, her en der ‘hallo’ roepen, pc aan, zitten. Bureau op de goede hoogte. En een slok koffie. Zo! En nu iets doen.
Ik tik aan regionaal fietsbeleid. Jan Murk komt binnen. ‘Wat is dit?’, vraagt hij, en gaat naast mijn bureau staan. Hij zegt, ‘Dit is mijn bureau!’ Jaja, denk ik. Ik tik verder. De verwarring slaat nu toe bij Jan. Paniek! Tenslotte zoekt hij toch een ander bureau, schuin tegenover. Ik verzink langzaam weer in gedachten over kansen voor de fiets. Jan gaat koffie halen. Jeroen Huijts komt aanlopen. ‘Jan, ik wil eve… Oh, is Jan er niet?’ Verbaasde blik. Stef Baijense komt binnen. ‘Hallo Ja…’, zegt hij. En dan, ‘Oh, waar is Jan?’ Verwarring alom. Leve de flexplek!
Later die dag is het tijd voor visie. Diep denken dus. Bertus Postma zegt, ‘Waarom doen we dit op máándagmíddag?’ Diepe zucht. Tsja… Martin Guit schenkt zwarte koffie in. Ik denk aan het heelal. Buiten betrekt de hemel en wordt alles donker. Op de wolken wordt een grote V geprojecteerd. De V van Visie. Ik sta op en doe het raam open. De stad ligt aan mijn voeten als ik met opgeheven vuist wegvlieg om Rotterdam te redden. ‘Burger?!’, roep ik, ‘Burger, waar ben je?’
Als ik met een doffe klap tegen het West-Inn hotel aanvlieg schrik ik op. Ik zit blijkbaar weer achter mijn bureau. ‘Morgen zit ik daar, grrr…’, zegt Jan. Met opgetrokken wenkbrauwen loop ik naar de koffieautomaat. Een immer trouwe metgezel in zware tijden. Jaja. Wat een leven! Mijn leven op kantoor.